Scholekster

   geluid


Als je over de waddendijk fietst is wel één van de kenmerkendste geluiden

het "tepiet tepiet"van de Scholekster, vandaar zijn bijnaam "Bonte Piet"

Terug naar de pagina Terschellingvogels

 

Scholeksters zijn vrij stevig gebouwde, zwart-witte steltlopers die algemeen in het binnenland kunnen worden aangetroffen. Ze hebben een lange rode snavel, oranje roze poten en een zwartwit verenkleed met een zwarte kop, zwart bovenlichaam en een wit onderlichaam. Ze hebben een lengte van 39 – 44 cm (inclusief de snavel van 6 – 9 cm) en een spanwijdte van de vleugels van 72 - 83 cm. Ze worden gemiddeld 12 jaar, maar er zijn ook wel Scholeksters van boven de 40 gevonden.

De grootste aantallen bevinden zich in het Noorden en Westen van het land.  Buiten het broedseizoen zijn scholeksters vaak in grote groepen te zien in de kustgebieden. Hier verzamelen de scholeksters zich tijdens hoog water in grote groepen op de hoogwatervluchtplaatsen, waar ze meestal met zijn allen dezelfde kant op staan, zodat ze elkaar niet hinderen wanneer gevlucht moet worden voor naderend gevaar. Om dezelfde reden wordt altijd een onderlinge afstand van ongeveer een meter gehandhaafd. De snavel van een scholekster is handig om in het wad naar mossels en kokkels te zoeken en ook om ze te openen en het schelpdiertjes eruit te eten. De snavel slijt wel erg hard van al dat harde materiaal. Gelukkig groeit hij ook snel weer, ongeveer 0,4mm per dag. Als de snavel niet zou slijten dan zou hij doorgroeien en op den duur krom worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij scholeksters die in gevangenschap leven en hun snavel niet goed kunnen gebruiken en dus niet goed kunnen afslijten. De snavel van de scholekster slijt op het wad trouwens sneller dan op het land. In de zomer, als hij veel op het wad is, heeft de scholekster een kortere snavel dan in de winter, wanneer hij voedsel zoekt op het land.

      

        

 

Scholeksters zijn zowel weidevogels als kustvogels. Je ziet ze in Noordwest Europa maar ook in het Middellandse Zeegebied. Het zijn doortrekkers in Nederland maar er blijven er ook veel overwinteren. Scholeksters trekken voornamelijk langs de kust en de Scholeksters die in Nederland broeden blijven hier het gehele jaar. Scandinavische scholeksters trekken naar het zuiden, opmerkelijk genoeg tot ver voorbij Nederland.

In het voorjaar vormen de mannetjes kleine baltsgroepjes waarbij de vogels al roepend en voorovergebogen om elkaar heen lopen. De broedperiode is in April en Mei en ze broeden in kolonies. Het nest wordt gebouwd langs de kust, maar ook verder landinwaarts en bestaat uit een eenvoudig kuiltje waarin het vrouwtje ongeveer 4 eieren legt, om de dag legt ze één ei. De eieren komen na zo’n 25 dagen uit. Wanneer er drie kuikens uitgekomen zijn, wordt het laatste ei niet meer uitgebroed en besteden de ouderdieren alle aandacht aan de kuikens. Ze verzorgen de kuikens bijna twee maanden lang. In die tijd gaan de jongen vliegen en leggen ze een vetvoorraadje aan voor de winter. De jongen worden dan nog een poosje gevoed door de ouders, in tegenstelling tot bij de meeste andere weidevogels. Een Scholekster is na 4 jaar geslachtsrijp.

Ze voeden zich met mosselen, kokkels en kreeftachtigen in de kustgebieden en in weidegbieden met voornamelijk wormen en insecten(larven).

Door het heldere zwart-witte verenkleed is de scholekster een goed herkenbare vogel. In de vlucht is de vogel te herkennen aan de witte vleugelstreep en van onderen gezien aan de zwarte eindrand van zowel de vleugels als de staart. In de winter toont de scholekster een witte keelband. De roep van de scholekster is een schel en hard kiep kiep, dat de vogel vooral in de vlucht laat horen. Scholeksters zijn druktemakers. Als je een groepje ziet is het kenmerkende tepiet-tepiet-geluid niet van de lucht. Zelfs 's nachts herken je een overvliegende groep scholeksters aan dat geluid.

De naam Bonte Piet hebben ze vooral te danken aan het luide "tepïet" dat de hele dag te horen is.
In het voorjaar keren scholeksters  in groepen terug naar hun broedgebied, waar ze zich dan in paren opsplitsen, met elk hun eigen territorium. Dit is meestal dezelfde plek als vorig jaar.
Een aparte vertoning is de "tepiet-ceremonie": een paar vogels rennen heen en weer met gestrekte hals en de snavel naar de grond wijzend, ondertussen luid "tepiet" roepend, afgewisseld met een hoge triller.

 

 

Voor de echte liefhebber.

Ten opzichte van 1930 is de populatie broedende scholeksters enorm gestegen. Rond 1995 broedden vijf à tien keer zoveel scholeksters in Nederland als 65 jaar daarvoor. Gemiddeld overwinterden in de jaren tussen 1966 en 1984 ruim 200.000 scholeksters in het Nederlandse deel van het waddengebied. Over een heel jaar kwamen er gemiddeld zo'n 145.000 exemplaren voor op het wad. Scholeksters eten ongeveer 225 gram schelpdiervlees per dag. Jaarlijks verorberden de scholeksters dus bij elkaar 11,9 miljoen kilo schelpdiervlees van het wad.

Sinds 1995 gaat het weer slechter met de scholekster in het Nederlands deel van de Waddenzee. Lange tijd was dit nauwelijks waarneembaar omdat scholeksters lang leven: er liepen genoeg oudjes rond om te verhullen dat er niet zo veel jongen bijkwamen. Maar omdat deze vogels pas na vier jaar geslachtsrijp worden leidde dit wel tot een achteruitgang.

Volgens Vogelbescherming Nederland komt deze achteruitgang door een gebrek aan voldoende kokkels en mosselen, veroorzaakt door de te intensieve schelpdiervisserij in de afgelopen decennia. Dat is te zien aan de verminderde aantal overwinterende vogels. Na 1995 nam het aantal met zo'n 30% af, van 200.000 tot 130.000 in 2003. Bij de midwintertelling in januari 2006 bleken er 10% minder scholeksters te overwinteren dan het jaar ervoor. De invloed van het stopzetten van de kokkelvisserij is hier nog niet merkbaar.

IMARES onderzocht in 2007 de invloed van handmatige kokkelvisserij op de scholeksters in het waddengebied. Deze studie leidde tot het advies om de kokkelvisserij tijdens het broedseizoen niet toe te staan binnen 2 kilometer van de gebieden waar veel scholeksters hun voedsel zoeken. In kokkelarme jaren zou het verbod ook buiten het broedseizoen moeten gelden. Dit om ervoor te zorgen dat er in volgende jaren voldoende kokkels zijn voor vogels en visserij.

Hokkers, wippers en soosvogels

Jonge scholeksters worden gevoerd door de ouders. Scholeksters willen de afstand tussen foerageerterrein en nest zo klein mogelijk houden. Omdat alle scholeksters dit willen, geeft dit veel concurrentie. Deze rivaliteit wordt sinds 1984 door de Rijksuniversiteit van Groningen onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat de scholekstermaatschappij drie verschillende klassen kent.

De eerste en 'hoogste' klasse zijn de 'hokkers', vogels die hun nest op het foerageerterrein hebben. Bij laag water zijn deze scholeksters snel bij hun voedsel en kunnen hun jongen veel voedsel geven. De 'wippers' vormen de tweede klasse, zij broeden op de kwelder en moeten zo'n 500 meter pendelen tussen wad en nest. Om hun jongen net zo veel voedsel te kunnen brengen als de hokkers, zouden de wippers elke laagwaterperiode van 6 uur ruim een uur lang heen en weer moeten vliegen. Geen enkele wipper is daartoe in staat. De wippers ondervinden niet alleen maar nadelen van hun lagere rang. Omdat ze hoger op de kwelder broeden is de overstromingskans kleiner. Ook is de competitiedruk onderling veel lager. In strenge winters zijn het dan ook de hokkers die overleven, terwijl de wippers enorm in aantal achteruit gaan.

Het hebben van een territorium is een voorwaarde om te kunnen broeden. Omdat er weinig plaats is en veel vogels, is de concurrentie tussen de scholeksters groot. De vogels die in deze concurrentie verliezen, hebben geen territorium en kunnen dus niet broeden. Deze laagste klasse zijn de 'soosvogels'. Tijdens hoogwater verzamelen deze dieren zich in grote groepen, de sozen.

Gemiddeld duurt het vijf jaar voordat een soosvogel is opgeklommen tot wipper. Omdat hokkers met minder inspanning meer kuikens per jaar grootbrengen (gemiddeld 0,67 kuiken tegen 0,18 kuiken voor wippers), is de druk op hokkers erg groot. Zowel het mannetje als het vrouwtje verdedigen dan ook het territorium.

 

Terug naar de pagina Terschellingvogels

 

 doorklikken naar:

Bergeend , Bruine Kiekendief , Eidereend , Gewone Zeehond , Grijze Zeehond , Grutto

Kluut , Lepelaar , Meeuwen, de kokmeeuw en de Zilvermeeuw , Blauwe Reiger

Grote Stern , Scholekster , Strandlopers , Tureluur , Visdiefje , Wulp